dokument 1

Geplaatst op vrijdag 29 maart 2013 @ 17:06 , 1336 keer bekeken

Studiedagen Met Woorden in de Weer

28-03-2013

Ochtendprogramma dag 1

 

Nel, Michelle, Louise:

Werken flipchart uit (zie ook blz. 5 hfd.3);

Op A3 en op stickertjes een uitdraai maken en op wc, klaslokalen en koffiekamer plakken.

Stickertjes in/op boeken plakken tot het “ingedaald” is bij lkr.

 

Hoe bouwen kinderen woordenschat op?:

1.       Labelen

2.       Categoriseren

3.       Netwerk opbouwen

 

ad.1 Het jonge kind( 1-2 jr.) labelt = plakt een etiketjes op een ding, vgl. “vlieg”, het beest dat op de

         tafel zit, is een vlieg

ad.2 Wij categoriseren dit woord, er zijn nl. meerdere soorten vliegen.(Rond 4e jr.)

  Om te categoriseren moet je betekeniskenmerken leren, d.i. een pakketje opbouwen.

  Een vlieg,mug of bij zijn insecten. “Insect” is een nieuw label dat staat voor een abstract  

  concept.   

  Kinderen gaan dus categoriseren en dan weer verder categoriseren.

                                          Een woord is een label dat staat voor een concept

          ad.3 Woorden zitten niet los in je hoofd, maar keurig geordend in je hoofd, een gestructureerd              

                    netwerk.

Relatie woordenschat en denken: er is een hiërarchische structuur: je onthoudt en leert bij.

 

             Woordenschatuitbreiding

            Leer ze labels - je werkt aan verbreding

            Geef ze conceptopbouw – je werkt aan verdieping

 

             Wat moet je als leerkracht doen:

1.       Labellen: heel veel benoemen

2.       Categoriseren: betekenis uitleggen

3.       Netwerk opbouwen: woorden in relaties aanbieden, clusteren, betekenisstructuren bieden

- Niet doen: starten met ”wie weet wat dit is?” Er zal van alles geopperd worden door de kinderen die er iets van denken te weten. De kinderen die het niet weten, haken af. Het hele netwerk slaat op hol.

Een zinloze activiteit van zes verloren minuten.

- Wel doen: Ga het meteen introduceren door zelf te gaan vertellen.

Voorbeeld:

Je labelt ongeveer 2 minuten (voorbeeld mee en een verhaal waarin labelen, categoriseren en netwerkopbouw aan de orde komt), waarna interactie. Bijv. Vertel elkaar in groepjes….

 

Met Woorden in de Weer:

Nieuwe labels  2 minuten  + Nieuwe concepten + Betekenis-relaties   met álle kinderen  

 

Woordclusters

Je moet werken aan netwerkopbouw, daarom moet je betekenis-relaties clusteren (zie ook map blz. 20 ev.)    De woordparachute heeft de meeste voorkeur omdat deze de netwerken duidelijk maakt.


Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan: